Biografie

Previous

Antoon Devaere

(1900 – 1989)


Antoon Devaere werd geboren te Kortrijk in 1900. Zijn vader, Octaaf Devaere (1865 – 1941) was een zeer gewaardeerd organist.  Hij was meer dan 50 jaar verbonden als organist-titularis aan de Sint-Maartenskerk te Kortrijk. 

Antoon volgde lager onderwijs bij de broeders van Dale te Kortrijk en lessen notenleer in de muziekschool waar zijn vader les gaf. 

Tijdens de oorlogsjaren werd de jonge Antoon aangetrokken door de beeldende kunsten. Na de oorlog in 1919 mocht hij door tussenkomst van kunstschilder Emmanuel Viérin (1869 – 1954) lessen volgen aan de Stedelijke Academie te Kortrijk, waar Viérin directeur was. In 1920 behaalde hij er de zilveren medaille voor schilderkunst in de klas van Edouard Messeyne (1858 - 1931) voor academisch tekenen - figuur.

Antoon had uiteraard ook interesse voor de muziek. Hij had een goeie stem en was lid van het Kortrijks zangkoor “de Minnestrelen” .  Op uitnodiging van de burgemeester van Sluis gaf het koor in 1919  een concert in deze  stad. De tocht ging per trein van Kortrijk naar Brugge en dan per boot naar Sluis. Tijdens deze tocht viel zijn jong kunstenaarsoog op het mooie polderlandschap en op Damme.

Hij keerde geregeld terug naar Damme en logeerde in Pension Blauwet langs de Damse vaart.  De jonge Antoon getuigt:” In Damme stond toen nog geen enkel spijshuis en er was enkel een slijkbaan met karrensporen....”. Later bezocht hij Damme ook met vrienden zoals Valerius De Saedeleer (1867 - 1941), Stijn Streuvels (1871 – 1969) en Leo Paret (1896 – 1976).

In Damme  ontmoette hij  ook de Vlaamse componist Renaat Veremans (1894 – 1969) , die voor hem het Van Maerlantlied componeerde.

In 1920 mocht hij van zijn vader verder studeren aan de Koninklijke Academie voor schone kunsten te Antwerpen waar kunstschilder Juliaan De Vriendt (1842 – 1935) er directeur was. In diezelfde periode volgde hij Nederlandse Letterkunde bij Herman Teirlinck (1879 – 1967). Tijdens deze periode ontmoette hij kunstschilder Eugeen Van Steenkiste (1896 - 1963) die hem de Duitse romantiek zou leren kennen en met wie hij een levenslange vriendschap zou sluiten. 

Na een tijd vond hij de Antwerpse Academie verouderd en trok hij naar Gent om hem nog meer te verdiepen in de schilderkunst in de klas van Oscar Coddron (1881-1960). Daar behaalde hij een eerste prijs compositie met als voornaamste jurylid Emile Claus (1849 – 1924), waarvoor hij veel bewondering had. Antoon werd dan ook zeer sterk aangetrokken tot het impressionisme.  In het schooljaar 1922 - 1923 volgde hij ook lessen tekenkunst bij Charles Tremerie. In Gent kwam hij ook in contact met de Latemse school waarvan kunstenaars als Valerius De Saedeleer, Albert Servaes (1883 – 1966) en George Minne (1866 – 1941) deel uit maakten. Vooral voor Valerius De Saedeleer had hij een enorme bewondering vanwege zijn diepe visie over het Vlaamse landschap. Hij bezocht de schilder verschillende keren in zijn woning in Etikhove, waar hij dan ook zijn schoonzoon en eveneens kunstschilder Leon Piron (1899 - 1962) ontmoette. Ook in de streek van Latem leerde hij Albert Saverys (1886 – 1964) kennen.

Terug in Kortrijk legde hij zich meer toe op  het schilderen van dieren. In het ouderlijk huis draaide alles rond muziek. Hij sprak nauwelijks met zijn vader, die alleen en teruggetrokken leefde na de vroege dood van Hermine Basyn (1864 – 1905),  de moeder van het gezin Devaere  en de dood van zijn broer André Devaere (1890 – 1914) die een uitmuntend musicus was en in de oorlog aan de IJzer sneuvelde. Hij tekende en schilderde dagelijks en toonde nooit iets aan zijn vader en zijn andere broers. Daarom waren zijn doeken zwaarmoedig, met een beklemmende eenzaamheid en ontgoocheling.

In 1926 besloot hij zich meer in de natuur te vestigen en trok naar Oostrozebeke waar hij zijn vrouw, de sterke Godelieve Van den Berghe (1896 – 1989) leerde kennen waarmee hij op 7 januari 1928 trouwde. Ze schonk hem zeven kinderen . Tijdens zijn verder leven zal zij hem steunen,  wat  met geen woorden uit te drukken is. Zijn levensvisie veranderde grondig: de positieve invloed van zijn vrouw is terug te vinden in zijn doeken uit de dertiger jaren met als titel . “Waar de iris bloeit”, “Droom”,...

Te Oostrozebeke kwam hij ook in contact met vooraanstaande families zoals de familie Lootens. Het waren vrienden die zich vooral ingewijd hadden in het cultuurleven en de Vlaamse strijd. Cyriel Verschaeve (1874 – 1949) kwam er dikwijls op bezoek en bezocht ook verschillende keren het atelier van de jonge Antoon. Verschaeve was immers ook  een kennis van Antoon's vader Octaaf. De letterkunde en de muziek waren altijd het hoofdthema tijdens de gesprekken met de familie Lootens en Verschaeve.

Verschaeve nodigde Antoon uit in Alveringem om er te schilderen. 's Avonds bezocht hij de prominente dichter waar het vooral ging over de muziek. “Van Verschaeve leerde ik meer over muziek dan tijdens mijn jeugdjaren bij mijn vader”, vertelde Antoon ooit in een interview.

Verschaeve vertelde tijdens vele natuurwandelingen , die hij met Antoon maakte  over zijn bewondering voor de Duitse romantici en voor Antoon’s vader,  Octaaf . Ook voor zijn Bach vertolkingen die voor hem een uitzonderlijk feest waren. 

Verschaeve over Antoon: “Hij voelt wat de natuur hem geeft, hij vindt er en vat er zijn stof en ze wordt de zijne. Zijn talent is stil, wat stil is verdiept en gaat naar 't mysterie van symbolisme en mystiek”.

Enkele maanden later leerde hij ook de schrijver André Demedts (1906 – 1992) kennen met wie hij een hechte vriendschapsband had.

In 1938 verscheen het boek “Waar de Iris bloeit” aan de hand van Leo Viaene, raadslid aan het hof van beroep in Gent, met beschouwingen over de kunstenaar Antoon Devaere met een inleidend woord van Cyriel Verschaeve.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij bij de Stedenbouwkundige dienst in Kortrijk waar hij zich als kunstschilder verre van op zijn plaats voelde. Een ambtenarenloopbaan was aan hem niet besteed. Hij tekende ook ontwerpen waarvan kartons op natuurlijke grootste werden gemaakt voor de Kortrijkse tapijtindustrie.

In 1947 vestigde hij zich definitief in zijn geliefde Damme, waar hij een landhuis bouwde dat  hij  “ter Wilgen” noemde.

Tussen 1949 en 1952 voltooide hij een project, gewijd aan Vlaamse windmolens, bedoeld om een folkloristische documentatie aan te leggen. Hij schetste ter plaatse de molens om ze dan in zijn atelier te Damme af te werken. Antoon zegde het volgende hierover: “Het was er mij meer om te doen een folkloristische documentatie aan te leggen. In totaal heb ik zowat 120 Vlaamse molens op papier gebracht, meestal met Chinese inkt. Er zijn er ook die ik met houtskool, pastel of olieverf heb uitgewerkt. Ik ben om zo te zeggen overal geweest, in de uithoeken van Limburg als in West-Vlaanderen”. 

Tijdens de jaren 50 verlieten zijn kinderen één voor één het huis en kwam er meer plaats vrij. De vrijgekomen ruimte was welgekomen,  omdat hij zich meer begon interesseren in de geschiedenis van het Zwin en in het bijzonder Damme als havenstad. Tijdens zijn vele bezoeken aan Zeeland, waaronder Sluis, Breskens en Veere, kon hij naast zeekaarten ook allerhande maquettes van boten op de kop tikken, zoals een logger, een Hollandse botter en een Zeeuwse hoogaars. Deze verzameling scheepsmodellen , zeekaarten en schilderijen met het Zwin als thema was een basis om een eigen privé museum op te richten. Later bouwde hij aan het museum, met de hulp van zijn zoon Herman Devaere (1934 – 2013) en diens schoonvader Antoon De Vooght (1903 – 1971) een visserskapel die hij dan ook zelf beschilderde. Ze was een evocatie van de visserskapellen waar vroeger in Vlaamse kustplaatsen vissersvrouwen kwamen bidden voor een goede vangst en een behouden thuiskomst van hun geliefden. In Heist is zo een kapel bewaard gebleven.

Tijdens deze periode werd hij briefwisselend lid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.

In 1971, uitgeroepen tot jaar van de kastelen, kwam zijn volgende project tot stand: een verzameling kasteelschilderijen, waaronder een schilderij van het slot van Male, aangekocht door het Brugse Groeningemuseum. De bedoeling was het kunstpatrimonium te leren kennen en waarderen.

In 1977 werd Damme gefusioneerd met andere gemeenten. Vooral de fusie met  de gemeente Sijsele was voor hem een doorn in het oog, omdat die geen enkele historische band met Damme had. Indien een fusie onvermijdelijk was, zou het veel beter geweest zijn om Damme, Oostkerke, Lapscheure en Hoeke samen te voegen onder de historisch meer verantwoorde naam “Monnikenrede”, stelde hij. Dit standpunt zou hij gedeeld hebben met om. de Belgische socialistische oud premier Achille Van Acker (1898 – 1975).

In de jaren 80 hield hij het schilderen voor bekeken, maar hij had nog vele contacten en er stonden nog verschillende tentoonstellingen op het programma.

In 1980 liep een tentoonstelling van zijn werk in “Huyze de Grote Sterre” in Damme.

Ter gelegenheid van “Damme 1180-1980: 800 jaar Stadsrechten” stelde hij al zijn kunstbezittingen ter beschikkingen van het stadsbestuur.

In 1985 werd door de Oostrozebeekse Kunstkring een retrospectieve tentoonstelling ingericht ter gelegenheid van zijn 85ste verjaardag, waarbij hem tevens het ereburgerschap van Oostrozebeke werd verleend.

Er kwam ten huize Devaere ook nog veel volk over de vloer. De Vlaamse dichters Bert Peleman (1915 – 1995) en Anton Van Wilderode (1918 – 1998) bezochten de familie Devaere geregeld.

Toen Antoon Devaere en zijn vrouw ook te oud werden om het museum te openen hield hun dochter Lutgarde Devaere (1937 - 2011) het museum nog een tijdlang alleen open.


Antoon Devaere stierf op 4 maart 1989. 


Na zijn dood besloten de kinderen zowel het gebouw als de inboedel te verkopen. 

De Stad Damme toonde geen enkele interesse.




Hier ligt Toone,

Hij vraagt noch krans noch krone,

Met een simpele wilgentak,

is Toone  op zijn gemak.


André Devaere erfgoed